
De Kazanse Tuimelaar vindt haar oorsprong in Rusland en behoort tot de middelgrote rassen. Het ras kenmerkt zich door een lage stand met een hoog gedragen borst. De rug is kort en hol, terwijl de staart vrij breed en opwaarts gedragen wordt. Opvallend is dat de vleugels onder de staart worden gedragen en tot op de grond reiken. De kop is gerond en glad, met een breed en hoog voorhoofd. De benen zijn zeer kort en bevederd, en bij opwinding vertoont de hals een kenmerkende siddering.

Het betreft een middelgrote duif met een lage stand en een hoog gedragen borst. De ogen zijn parelkleurig; bij witte dieren zijn ze donker. De oogranden zijn fijn en licht van kleur. De snavel is middelmatig van lengte, vrij kort en dik, en vormt met het voorhoofd een stompe hoek. De snavelkleur is licht, waarbij bij zwarte dieren een iets donkerder, aangelopen snavel is toegestaan.
De hals is breed aangezet op het lichaam, loopt naar boven toe slanker uit en is naar achteren licht doorgebogen. De borst is breed en goed gerond en wordt duidelijk naar voren en omhoog gedragen. De rug is breed, kort en hol van vorm. De vleugels zijn kort en worden onder de staart gedragen, tot op de grond reikend.
De staart is kort en breed en niet gewelfd. Bij opwinding wordt deze opgericht. In de regel bestaat de staart uit meer dan twaalf staartpennen en ontbreekt de stuitklier. Het onder- en bovenstaartdek zijn gewelfd verlengd. De benen zijn zeer kort en voorzien van korte bevedering, waarbij de tenen tot aan de nagels bedekt zijn. Een uitgesproken voetstuk is niet gewenst. De bevedering is breed, zacht en niet te lang.
Wat betreft kleurslagen zijn wit, zwart, rood en geel toegestaan, evenals dominant rood en dominant geel en blauw zwartgeband. Deze kleuren komen voor in verschillende tekeningen, waaronder witpen, geëxterd en bont.
